A passion for math and math education

.
Koen De Naeghel

15 Co÷peratief leren

Co÷operatief leren, ook wel samenwerkend leren genoemd, is een onderwijsmethode die gebaseerd is op samenwerking tussen sterke en minder sterke leerlingen. Kenmerkend voor co÷operatief leren is de noodzaak voor leerlingen om bij het uitvoeren van een taak met elkaar samen te werken. De leerlingen discussiŰeren samen over de leerstof, ze geven elkaar uitleg en informatie en vullen elkaar aan. Zij zoeken samen naar een oplossing en helpen elkaar.

De gedachte achter samenwerkend leren is dat zowel de minder sterke als de sterke leerlingen hiervan leren. De minder sterke leerlingen, doordat ze uitleg krijgen en aangemoedigd worden. De sterke leerlingen, omdat zij de stof op een hoger niveau leren beheersen als ze het aan anderen uitleggen.

Bij co÷operatief leren is dus niet alleen de lesstof belangrijk, maar ook de samenwerking. Er is dus sprake van een cognitief en een sociaal doel. De achterliggende gedachte van co÷operatief leren is dat leerlingen niet alleen leren van de interactie met de leerkracht, maar ook van de interactie met elkaar. Tevens is co÷operatief leren niet een geheel nieuwe manier van werken, maar een aanvulling op het didactische repertoire van de leerkracht.

Co\"operatief leren houdt meer in dan leerlingen bij in een groep bij elkaar te plaatsen en hen te instrueren om samen te werken. Er kan namelijk pas gesproken worden van co÷operatief leren als er voldaan wordt aan vijf basiskenmerken:

  • positieve wederzijdse afhankelijkheid: de opdracht kan alleen succesvol uitgevoerd worden als elke leerling in het groepje zijn bijdrage levert,
  • individuele verantwoordelijkheid: hiervan is sprake wanneer de leerkracht ieder groepslid kan aanspreken op zijn of haar bijdrage aan het groepswerk en dit ook daadwerkelijk doet (meeliftgedrag voorkomen),
  • directe interactie: de leerlingen wisselen hun ideeŰen, kennis en meningen samen uit (maak daarom de groepen niet te groot),
  • samenwerkingsvaardigheden: om op een goede manier te kunnen samenwerken, dienen leerlingen over al samenwerkingsvaardigheden te beschikken (zie eerdere practica wiskunde),
  • evaluatie van het groepsproces: wat ging er goed en wat zou er in de toekomst beter kunnen.

In dit practicum wordt de klasgroep in twee gesplitst: problem solvers (leerlingen die goed zijn in het oplossen van problemen) en schrijvers (leerlingen die goed zijn in het uitschrijven van een oplossing). Elke schrijver werkt het volledige lesuur aan vijf vragen uit een vorige editie van de Vlaamse Wiskunde Olympiade. Hij/zij wordt waarbij geholpen door een problem solver. Om de tien minuten nemen de problem solvers bij een andere schrijver plaats. Het toewijzen van de vraagnummers gebeurt aan de hand van een magisch vierkant van orde vijf. Op die manier heeft elke schrijver en elke problem solver een vergelijkbare moeilijkheidsgraad.

Documenten Creative Commons Licentie